Groningen Toen deel 16

Bij het lezen van een oud jaaroverzicht kwamen recentelijk ook nog enkele gedachten bij mij naar boven. De eerste oversteekplaats, dat ik beleefde, lag tussen de Grote Markt en de hoek van de Gelkingestraat in Groningen en wel op een plek waar toen het verkeer tussen Beide Markten nog niet was stilgelegd via het latere landelijk bekende verkeerscirculatieplan van de Martinistad. Het verbond de Grote Markt en de plek waar toen nog de bioscoop Cinema Palace was gevestigd. Ik doe mijn ogen dicht en zie zo de zwart-wit geschilderde paal met de oranje bal er bovenop staan, daar op de hoek van de Gelkingestraat en Grote Markt.

De zogenaamde knipperbol had als doel de aandacht te versterken van de medeweggebruikers voor overstekende mensen. De in de volksmond genoemde ‘knipperbol’ heette officieel de ‘Belisha Beacons’ en werden voor het eerst geïntroduceerd in het Verenigd Koninkrijk, Ierland en de voormalige Britse kroonkolonies Singapore en Hong Kong. Ze waren vernoemd naar Leslie Hore-Belisha, die leefde van 1895-1957. Hij voerde als minister voor Transport de voorganger van de zebra in; een oversteekplaats die werd afgebakend door grote metalen stukken in het wegdek. Dit gebeurde vanaf het jaar 1934.

Een tweede zebrapad, maar dan zonder knipperbol, kwam in Groningen te liggen bij de toenmalige centrale bus-stopplaats aan de noordzijde van de Grote Markt. Als we het over de echte herkomst van de voetgangersoversteekplaatsen hebben dan dienen we onze blik te richten op het oude Romeinse Rijk. In de Romeinse stad Pompeii zijn namelijk de oudste oversteekpaden ter wereld te bezichtigen (de ‘pondera’). De Pompejanen staken hier de straat over via een aantal grote stenen. Dit zorgde ervoor dat zij zonder natte en vuile voeten de overkant konden bereiken, aangezien de straat destijds praktisch een openbaar riool en vuilstort was. De passerende karren konden precies tussen de stenen doorrijden, maar moesten logischerwijs stoppen voor de voetgangers.

Ook kwam de verkeersagent in Groningen in gedachten naar boven. Bijvoorbeeld op het kruispunt Nieuwe Ebbingestraat, Korreweg en Noorderplantsoen. Daar stond in de drukke ochtenduren en avonduren, later spitsuren genoemd, een wit/zwart gestreept platform met al dan niet daarop een verkeersagent die het drukke verkeer regelde.

De Korreweg was destijds nog een belangrijke verkeersstraat richting de provincie. Ook het bedrijfsverkeer van het zogenaamde Bodeterrein kwam via de Kapteynlaan deels weer op de Korreweg terecht en diende veilig naar de goede weg geleid te worden. Vaak heb ik naar de verkeersagent staan kijken, op weg naar of vanaf mijn school, de Minister Cort van der Lindenschool, aan de Violenstraat. Met een enorme flair werd het verkeer geleid, met snel bewegende arm- en handbewegingen, hier en daar begeleid door het strakke fluitje dat de verkeersleider constant in zijn mond had. Groot respect had ik voor deze vorm van gezag.
Het moet zo rond 1961 zijn geweest dat diverse malen een incident, telkens met dezelfde persoon, plaats vond daar op het voornoemde kruispunt bij de Korreweg. Al vaker was geconstateerd dat er, ondanks winterse omstandigheden, een schaars en in rode korte broek geklede man hard rennend door de binnenstad van Groningen richting het toenmalige Noorderstation rende, daarbij allerlei scheldwoorden uitkrijsend. Het was duidelijk dat deze man ‘de weg kwijt was’. Erger werd het toen hij zich ging bemoeien met de verkeersregeling. Bij herhaling schijnt hij gewaarschuwd te zijn maar bleef doorgaan. Trouwens, even plotseling als hij weken daarvoor was komen opdagen vertrok de vreemde man van het toneel in noordelijke richting.

Het Bodeterrein was destijds gelegen tussen de Antonius Deusinglaan en het Oosterhamrikkanaal.

De naam verwees naar de functie van het terrein. Vanaf het Bodeterrein kwamen en vertrokken de vrachtrijders, ook wel boderijders genoemd, van en naar bestemmingen in geheel Nederland maar vooral de Provincie Groningen. Tussen 1940 en 1970 werd het Bodeterrein in Groningen gebruikt voor de aan en afvoer van goederen, die per schip en bestel- en vrachtauto als wel paard en wagen werden getransporteerd. Naast een hoofd handelskantoor hadden de verschillende ondernemingen, die gebruik maakten van de overslagplaats, hun eigen hokje of kantoortje, waarbij hun transportmiddel kwam te staan. Goederen werden direct op de plek aangeleverd of konden via het handelskantoor worden ingehuurd.

Vaak ging ik er kijken, op ongeveer 500 meter verwijderd van ons ouderlijk huis. Een grote collectie aan bestelauto’s, voorzien van bedrijfsnamen en plaatsen van herkomst. Ik droomde dan weg met in de gedachte wat er zoal werd aan- en afgevoerd in de vervoersmiddelen. Namen van ondernemingen die me zo te binnen schieten zijn bijvoorbeeld: ‘De Zuidooster’, ‘EDS’, wat stond voor ‘Eerste Drentse Stoom Tram Wegmaatschappij’, ‘Kemkers’ uit Eelde, ‘Holwerda’ afkomstig uit Winschoten, ‘Westervaarder’ uit Veendam, ‘Noord Zuid Expres’, een onderneming die reed op Brabant, ‘Holwerda Verhuizingen’ uit Beilen, Firma J. Homan en Zonen uit Leek. Dan de onderneming met een hele mooie naam ‘De Uiver’ uit Enkhuizen en tenslotte ‘Tot Uw Dienst’ uit Groningen.

Als de laatste naam wordt genoemd, denk ik meteen aan Harry Venhuizen, al decennia lang de drijvende man achter de onderneming. Ik kom hem met bepaalde regelmaat tegen als er weer een interne verhuizing plaats vind binnen de Rijksuniversiteit Groningen. Ook bij mijn eerste werkgever, in de jaren zestig van de vorige eeuw, het toenmalige PEB van Groningen, kwam ik hem al tegen als onderdeel van het bedrijf: ‘Tot Uw Dienst’. Het bedrijf is in 1948 opgericht door zijn vader Leo Venhuizen, die ‘Tot Uw Dienst’ als bodedienst begon. De onderneming had haar eerste vestiging dan ook op het voornoemde Bodeterrein gevestigd. Vervolgens werd een eigen locatie gezocht ten Oosten van de binnenstad van Groningen en wel aan de Oude Weg.

Men groeide echter uit het toenmalige pand en besloten werd te verhuizen naar een van de industrieterreinen aan de oostkant van de stad Groningen, de Struisvogelstraat. Vanaf dat moment werd ook meer en meer van het idee afgestapt dat men een bodedienst was, en ging men meer verhuisdiensten aanbieden aan bedrijven en particulieren. In de jaren tachtig van de vorige eeuw verhuisde men naar het grote nieuwe industrieterrein ‘Euvelgunne’, waar men anno 2016 nog steeds gevestigd is. Aan de kade van het Oosterhamrikkanaal werden de schepen geladen en gelost en sprak met over ‘beurtschepen’. Tegen het einde van de jaren vijftig, begin jaren zestig van de vorige eeuw werd op zondagen het Bodeterrein ook gebruikt voor massabijeenkomsten van gebedsgenezers als ‘Osborne’ en ‘Lou de Palingboer’.

Nadat het terrein was verplaatst naar een nieuw vervoerscentrum ten oosten van de stad Groningen werd het terrein in eerste instantie gebruikt op de dagen dat GVAV, de voorganger van FC Groningen, haar thuiswedstrijden in het Oosterpark-stadion voetbalde.

Het was namelijk een ideale, gratis, parkeerplaats waar mensen uit de provincie hun auto konden plaatsen. Dit om vervolgens hun grote helden van toen te zien spelen. Wie herinnert zich nog wie er in 1961 voor GVAV speelden? Uit de familie Knot gingen regelmatig nog een groot aantal naar de wedstrijden toe. De Staantribune Jeugd, gelegen aan de Oosterparkzijde en achter een stalenbuis opgesteld, was mijn vaste plek. Maar vader Knot, broer Jelle, zus Rika, en een groot aantal vrienden hadden hun vaste plek op de tribune direct ernaast. Nog steeds nieuwsgierig wie er bijvoorbeeld in de met 1-0 verloren wedstrijd tussen het Utrechtse Elinkwijk en GVAV meespeelden? Alting, Benninga, Borghuis, Buist, Fransen, Groninger, Kuiper, La Crois, Meuken, Roffel en van der Hoeven. Spelers stuk voor stuk van grote naam.

Zelf voetballen deden we, toen we jonger waren, dichter bij huis. Het was een soort van binnenplaats gelegen aan de Reigerstraat waar allemaal autoboxen waren en er ruimte genoeg was voor het spelen van het spel op een klein terrein. Meestal zes tegen zes en anders werd het muurtje schieten. Immers er was geen raam dat kon breken. Zo rond 1961 gingen we onze blik verbreden en werd er veel gevoetbald op het Bernoulliplein maar ook op het Driehoekje.

Dit was een heel groot grasveld met vele struiken er omheen waar ruimte voor vliegeren, voetbal en ander balspel mogelijk was. Het was destijds precies gelegen ten zuiden van het Bodeterrein op de plek waar anno 2016 vele gebouwen al jaren staan als onderdeel van het Universitair Medisch Centrum Groningen, in die tijd nog gewoon Academisch Ziekenhuis genoemd.

Deze plek was vol groen van kleur, had weinig last van waterplassen bij volwaardige regenval, en had onze duidelijke voorkeur om uren door te brengen met onze bruine lederen bal die, zoals gebruikelijk, wekelijks met vaseline werd ingesmeerd. Wat waren we trots op ons bruine monster.

Bron en foto’s: Hans Knot

Comments are closed.